een blog over de 19e eeuw en nu...

een blog over de 19e eeuw en nu...

Over dit Blog


Vanuit mijn praktijk als beeldend kunstenaar ga ik twee interessegebieden onderzoeken. Het eerste is de Franse 19e eeuwse historieschilderkunst en het tweede hoe kunstenaars in die tijd omgingen met de vrije en gecensureerde pers. Ik breng dat in verband met hedendaagse actuele ontwikkelingen en het engagement van waar uit ik mijn werken maak. Op dit blog zal ik reflecteren op mijn oeuvre en de bronnen die ik heb onderzocht, maar het is nadrukkelijk ook een blik vooruit.

Hoe eenvoudig mag je eerste Daumier zijn?

Het atelier...Posted by Stijn Peeters Tue, November 06, 2018 09:56:02




Dit hele kleine plaatje uit een boek over Daumier viel me op vanwege de thematiek maar vooral vanwege de relatieve ‘knulligheid’ die ik uitnodigend vond. Het lijkt een eerste versie, een ruwe schets van een idee dat door Daumier nooit is uitgevoerd en ik vond het aantrekkelijk dat ik deze schets ‘af zou kunnen maken’. De vraag, ‘kun je zo dronken zijn dat je blijft vastzitten aan de tafel ? ‘ was daarbij leidend. De Duitse titel is Trunkenbolde, dat betekent zoiets als ‘zuipschuiten’,en dat dekt de lading denk ik wel. Het werk meet 24,5 x 26,2 cm, olieverf op papier op hout gelijmd, en is afkomstig uit de voormalige collectie Roger Leybold. ( 1896-1970) Deze eigenaar van een industriële brouwerij had een grote verzameling schilderijen, tekeningen en brieven van Delacroix, Daumier, Jongkind, Corot en Boudin. Ene ’Madame X’ wordt bij Veilinghuis Drouot vermeld als erfgename van de collectie Leybold. Het zou kunnen dat dit werk op 17 november 1982 is geveild.

Eerst kopieerde ik het tekeningetje als ets, links het etsplaatje rechts de afdruk

Vervolgens komt de op de tafel steunende man nog op een viertal schilderijen uit 1998 terug, in de omschrijving die ik op dat moment gebruikte, MA 11, MA 3 en MA 1. MA stond voor Molino Alto, dat was de naam van de oude watermolen in Niguelas, ( Spanje) die we in het voorjaar van 1998 voor een periode van 3 maanden huurden van de Schotse dichter Martin Bates. Deze werken zijn daar gemaakt



Dit werk, M.A.1, werd verloot tijdens een televisie uitzending van AVRO's kunstblik, er werd een leuk atelierbezoek gefilmd met Liesbeth Brandt Corstius als interviewster.

Weer thuis in Nederland ontstond het volgende schilderij, Nr 794, het meet 130 x 200 cm en bevat alle elementen van de in Spanje gemaakte werken, de Daumier-figuur, de tafel met invloeden van het Nederlandse herberginterieur, mijn tekenende oudste zoon ( 3 jaar op dat moment), de ’herberg’ en de stukjes landbouwgrond langs de rivier met olijfbomen en de snelwegbrug richting Granada. Het doek werd in 1998 getoond bij Galerie Oele, Amsterdam.


In latere teksten zal ik verder op deze Spaanse periode in gaan.





  • Comments(0)//blog.stijnpeeters.com/#post3

Advies aan een jonge collega

Het atelier...Posted by Stijn Peeters Fri, November 02, 2018 11:29:23

Al vanaf je dappere, overmoedige, roekeloze, maatschappelijk onhandige keuze om te gaan studeren aan een kunstacademie zie ik je als jonge collega. Ook ik heb op mijn 17e bedacht dat ik kunstenaar wilde worden. Eerst nog wat schuchter, door wel in de buurt van de kunst te zijn, maar meer aan de toegepaste, en ogenschijnlijk financieel-zekere, kant. Maar na mijn afstuderen ben ik er volledig ingedoken. Vorig jaar ben ik 60 geworden en ik heb nog geen dag spijt gehad van deze keuze. Ik heb het mooiste leven dat een mens kan wensen.

Normaal volgt hier dan een passage over de schaduwzijde, die is er wel, maar dat stel ik toch nog maar even uit omdat de schaduwzijde in deze tijd met bakken tegelijk over jullie enthousiaste hoofden wordt uitgestort.

Waarschijnlijk was ik erg eigenwijs en nieuwsgierig had ik zin om alles wat ik niet kende te onderzoeken, voelde me in de rust van het nadenken, lezen en kijken heel erg thuis. Bedenk dat er geen telefoons en computers waren, en als je geen brieven schreef of via een vaste telefoon belde had je maandenlang geen contact met andere mensen dan de mensen om je heen. Ik herinner me de zeeën van tijd, de verveling, maar ook de vrijheid om op te pakken wat me interesseerde. Ik had absoluut geen leerdoelen of groot plan voor ogen, maar was me ervan bewust dat ik vreselijk weinig wist. Kranten, literatuur, poëzie, geschiedenis, filosofie, de bijbel, biografieën en zelfs encyclopedieën ik las alles waar ik zin in had, vaak meerdere boeken tegelijk. Soms wist ik na lezing nog niet precies waarom ik het gelezen boek had opgepakt, radeloos was ik soms in het besef dat ik intellectueel niet in staat was om de teksten te doorgronden , laat staan verbanden aan te brengen.

Omdat ik een opleiding tot illustrator had gedaan had ik nogal last van een overmaat aan op effect gerichte maniërismen, mijn tekeningen waren gericht op mooi-makerij en zongen los van de functie die het tekenen zou moeten hebben. Als middel om tot vormbegrip te komen, het neerschrijven van een geziene vorm en de werking van het licht op die vorm. Pas veel later en door heel veel oefenen is het me gelukt om dit te leren, saai , onderzoekend tekenwerk met het doel, de vorm ‘in de hand’ te hebben voordat je aan een schilderij begint. Dit zijn tekeningen die je niet kunt verkopen, die in een schetsboek staan of op een vel papier dat je vervolgens weer gebruikt om sjabloons van te snijden.

Ik heb alles zelf moeten leren zeg ik vaak, dan zeg ik dat ik als schilder autodidact ben en vergeet ik de twee modeltekenlessen in de week, de praktijklessen in het grafieklokaal, met begeleiding en op vrijdagen zonder toezicht, (hoera!) Typografie, lettertekenen en calligrafie, grafisch ontwerp en werken in de huisdrukkerij die ten dienste stond van de toegepaste afdelingen, fotografie, analoog, zowel zwartwit als kleur. En dat drie jaar lang.

Van de kunstgeschiedenis had ik nog niet zoveel besef, ik vond mezelf een hele baas dat ik ‘abstracte boekillustratie’ als onderwerp van mijn eindscriptie nam. Hoe beperkt ook, ik kwam daardoor in aanraking met begrippen als visuele poëzie, Paul van Ostaijen en Guillaume Apollinaire, illustraties van Jean Arp , de gedichten van Francis Ponge (“als je goed om je heen luistert merk je dat bijna alles niet praten kan “) en het fenomeen kunstenaarsboek.

Dit klinkt heel slim, maar in mijn atelier in een kraakpand, gelegen boven een Turkse sociëteit, was ik me toch voornamelijk aan het verdiepen in Matisse, Dufy, tegelijkertijd maakt ik ook materiaaletsen die ik op een houten wasmangel afdrukte. Op de schilderijen beeldde ik voornamelijk mijn nieuwe vriendin en mezelf al, zonder kleren op een bed ( ‘Luxe, Calme et Volupté). Die nieuwe vriendin en ik zijn nog steeds bij elkaar en door haar werd ik gemotiveerd om me aan te melden bij de Jan van Eyck Academie in Maastricht.

Als advies aan jou jonge collega, of je nu een jongen of een meisje bent, het is het beste als je een relatie aan gaat in een fase waarin je allebei nog in ontwikkeling bent. Zodat je samen kunt groeien, ieder op je eigen manier, want je moet de ander wel ruimte geven. Als je dan geluk hebt word je samen ouder en omdat je allebei een eigen leven hebt met eigen interesses en je eigen vrienden blijf je spannend voor elkaar. Het is best handig om iemand te kiezen die een gelijke vrijheidbehoefte heeft als jij dat hebt, want je hebt alleen maar last van mensen die je aandacht opeisen als je net die mooie passage aan het lezen bent of die verdiepende stap in je beeldende onderzoek aan het zetten bent. Ook moet je oppassen voor teveel verantwoordelijkheid, zeker in het begin van je relatie, je huurwoning inrichten met leuke nieuwe spulletjes uit de tweedehandswinkel is zeker als je kunstenaar bent veel slimmer dan het huisje-boompje –beestje verhaal. Vervolgens is het ook aan te raden om niet te vroeg met kinderen te beginnen, veel samen doen, reizen, zien, exposeren, maken en dan als je relatie bestendig blijkt is het ook heel erg leuk om kinderen te krijgen.

Daar moet je, net als met zoveel dingen in een (kunstenaars-)leven, geluk mee hebben. Maakbaarheid is ook in deze kwestie een moeizaam begrip. Wat kinderen betreft is het geweldig als je een relatie hebt met een andere kunstenaar. Je kunt je eigen tijd indelen en zo heb je zowel je atelier- als de zorgdagen, even tijd voor jezelf ( al slaap je alleen maar op je atelier, of droom je daar) en de intimiteit van je nieuwe liefde.

Probeer in je atelier zo dicht mogelijk bij jezelf te blijven en te zorgen dat je jezelf leeg kunt maken. Dat is niet altijd gemakkelijk, zeker niet na een tentoonstelling waarbij niets werd verkocht, na vervelende opmerkingen van galeriemensen en familie, het ontbreken van een galerie is ook niet altijd fijn. Niet nagekomen afspraken, radiostilte waar je contact had verwacht, na een afwijzing van een beurs of expositievoorstel. Gevoelens van jaloezie zijn contra-productief, we werken nu eenmaal in een gebied waar veel ( goede) collega’s actief zijn en waar keuzes moeten worden gemaakt tussen goeden vanwege de beperkte budgetten. Het fijnste leef je als je collegiaal bent en elkaar adviseert en verder helpt.

Op het gevaar af dat dit advies te soft is, de plaats van jaloezie kan worden ingenomen door inhoudelijke competitie. Ik heb een tegenslag in mijn kunstenaarsleven zo veel mogelijk beleefd als een appèl aan mezelf om nog beter werk te maken, nog helderder te formuleren, nog zorgvuldiger te communiceren en het publiek een volgende keer te overrompelen met onontkoombaar goed werk. “Iets waar ‘ze’ niet omheen kunnen”.

Ook is het goed om niet te lang in slechte samenwerkingen te blijven hangen, als je met bepaalde zakelijke partners alleen maar kwade innerlijke dialogen aan het voeren bent is het in ieder geval goed om uit te spreken wat je dwars zit. En als een goed gesprek niet mogelijk is om de samenwerking dan maar helemaal te verbreken. Beter geen relatie dan een slechte relatie. Je moet wel pragmatisch zijn, maar je innerlijke evenwicht is veel belangrijker. Naast fijne galeriemensen zijn er helaas ook veel die niet altijd gemakkelijk zijn in de omgang. Daarbij, voor jou is je kunstenaarschap en je productie dagelijks van belang, staan jouw belangen voordurend op nummer een, een galerie verdeelt haar aandacht over alle kunstenaars die ze vertegenwoordigt. Die verhouding is nu eenmaal scheef, dat is niet anders.

Het is van belang om oog te hebben voor kleine succesjes, voor zaken die dichtbij liggen. Het kunstenaarschap is een zaak van lange adem, als het goed is blijf je je hele leven lang nieuwe aspecten van jezelf ontdekken. Ben je op een zeker moment in staat dingen te maken waarvan je jaren eerder alleen maar kon dromen. Waar ik zelf heel veel baat bij heb gehad is studeren, mezelf in mijn technische, ambachtelijke vaardigheden verbeteren en verbreden. De nieuwsgierigheid naar materialen, hun eigenschappen en verwerkingsmogelijkheden. Door deze ruimte te nemen krijgen je hersenen even lucht, komt het denken over bijvoorbeeld een nieuw thema in een rustiger gedachtenstroom en dan kan het zomaar gebeuren dat iets waarnaar je krampachtig op zoek was je gewoon overkomt. Voor mij gebeurt dat ook als ik kopieer ‘naar de meesters’. Door langer naar de werken van voorgangers te kijken word je ook meegenomen in hun denken en de besluiten die ze als maker hebben genomen, daar leer ik ook heel veel van.

Wat ik je ook kan aanbevelen; zie zoveel mogelijk actuele beeldende kunst. Reserveer bijvoorbeeld een dag in de maand om in een stad zoveel mogelijk galerieën te bezoeken, noteer wat je ziet, wat je hebt gelezen, wat je is opgevallen. Het is de wereld waar jij deel van uit maakt. Kies niet te gemakkelijk alleen de kunst die je gevoelsmatig of qua medium aanspreekt maar verdiep je juist in het denken achter werk dat je ingewikkelder vindt. Kies af en toe een andere stad, maar zorg dat je regelmatig je ronde doet, zo leer je ook het expositiebeleid en de kunstenaars van de diverse galerieën en presentatie-instellingen kennen. Als een galeriehouder je gezicht vaker ziet merkt hij of zij dat je geïnteresseerd bent in wat zij doen. Op deze manier kan het gebeuren dat je naar je mening over de expositie wordt gevraagd. Dat is het begin van een gesprek en dat is ‘netwerken in de praktijk’. Zelfs al zal je nooit op de plek exposeren is het heel fijn lopen over een grote kunstbeurs als je veel contacten hebt, een praatje hier een complimentje daar, misschien zelfs een reflectie op vroeger en het nieuwe werk van de getoonde kunstenaar, dat maakt dat jij helemaal op je plaats bent in de kunstwereld.

Ga onder geen beding als een kip zonder kop met een portfolio onder de arm bij een of zelfs meerdere plekken langs, daar zit niemand op te wachten. Dat is een garantie voor veel ongemak en ongelukkige gevoelens.

Doe wel zo veel mogelijk mee aan (groeps)-exposities, ook kunstenaars ontmoet je op je maandelijkse galerierondje, ga daar ook in op elkaars werk en maak plannetjes voor volgende mogelijkheden. Als je het in je hebt kun je ook een blog gaan schrijven, werk van collega’s waar je oog op is gevallen analyseren of signaleren, tijdschriften of kleine boekjes kunnen ook een stapje zijn naar een grotere naamsbekendheid. Binnenkort gaat mijn tijdschrift Ezel, nu nog Nederlandstalig , met een bijgevoegde Engelse vertaling naar beurzen in Shanghai en New York, ik heb daar hoge verwachtingen van. Want ondanks het feit dat ik de 60 gepasseerd ben en al veel heb successen heb gehad ben ik nog enorm nieuwsgierig wat ik nog allemaal met mijn werk kan bereiken.

Ik zou nog veel meer willen vertellen, maar ik denk dat je onderhand wel een beetje klaar met me bent, we kunnen het gesprek altijd voortzetten als we elkaar in onze mooie wereld tegenkomen. Dan reizen we even met elkaar mee om vervolgens weer alleen door te gaan met ons eigen grote avontuur.

(deze brief is geschreven op verzoek van Witte rook Breda en gepubliceerd op hun website)

https://witterook.nu/artikelen/advies-aan-de-jonge-kunstenaar-15/

  • Comments(0)//blog.stijnpeeters.com/#post2

Een stier in de studio

Het atelier...Posted by Stijn Peeters Fri, November 02, 2018 11:26:44

In 2011 werd ik uitgenodigd door Kunstpodium T om een expositie te maken met vier eindexamenstudenten van Nederlandse academies. De expositie was onderdeel van het leerling-meester-project. Toen al had ik moeite met de afstand die de term meester veroorzaakte en ik stelde de studenten voor om onze expositie leerling-leerling te noemen. Het had wat voeten in de aarde omdat ik ze niet wilde vertellen waarom. Pas tijdens de opening kwamen zij en de bezoekers er achter. Ik had mijn ruimte ingericht met het eindexamenwerk van de Koninklijke Academie voor Kunst en Vormgeving, afdeling illustratieve vormgeving, waar ik in 1982 was afgestudeerd. Op deze manier ontstond er gelijkwaardigheid met hun actuele positie en volgens mij een mooi historisch perspectief op een tijdsbeeld waarin vakonderwijs nog nadrukkelijk onderdeel van het curriculum van kunstacademies was.

Hieraan moest ik denken toen ik de brief ‘van Courbet’ aan de jonge kunstenaars van Parijs las. In de vorige blogtekst is te lezen dat de brief grotendeels geschreven bleek te zijn door Jules Castagnary. Castagnary, actief als jurist, journalist, kunstcriticus en politicus, (kom daar tegenwoordig nog maar eens om !), was zich sterk gaan engageren met de nieuwe stroming van het Realisme omdat hij daardoor kans zag maatschappelijke veranderingen teweeg te brengen.

Op 28 september 1861 organiseerde hij een bijeenkomst voor studenten die zich, uit onvrede over de manier van lesgeven, van de École des Beaux-Arts hadden afgekeerd. De bijeenkomst vond plaats in brasserie Andler, Courbet was daar zelf ook een regelmatige gast , hij woonde 4 deuren verder. De brasserie waar men goed bier schonk werd bezocht door Duitsers en voormalig bewoners van de Oostkantons, vooral was het een ontmoetingsplaats voor kunstenaars en schrijvers.

Deze afbeelding is afkomstig uit het boek Histoire anecdotique des Cafés & Cabarets de Paris van Alfred Delvau, 1862.

Tijdens de bijeenkomst werd besloten om Courbet te vragen een schildersatelier op te richten waar de studenten zich onder zijn leiding zouden kunnen richten op de moderne schilderspraktijk.

Courbet legt in de brief aan de studenten uit waarom hij niet in scholen gelooft; ‘het is niet mogelijk scholen voor schilderkunst te hebben, er zijn alleen maar schilders(…) Het is voor mij dan ook onmogelijk om in een schoolse vorm studenten op te leiden, om ze deze of gene kunsttraditie aan te leren. Ik kan alleen uitleg geven aan sommige kunstenaars, die dan mijn medewerkers in plaats van mijn studenten zouden zijn, over de methodes waardoor je, volgens mij, schilder kunt worden. Methodes waarmee ik dat sinds mijn vroege jaren heb geprobeerd. Ik zou iedere persoon volledige vrijheid geven. Op deze manier volledige controle over zijn eigen individualiteit, expressie en werkwijze geven. Om dit doel te bereiken zou de oprichting van een gezamenlijk atelier, indachtig de vruchtbare samenwerking binnen de Renaissance ateliers , een bruikbare vorm kunnen zijn. En kunnen bijdragen aan een nieuwe fase van moderne schilderkunst. Ik zou me met grote inzet ten dienste stellen om jullie te helpen dit doel te bereiken’. ( vrij vertaald naar de Engelse versie in ‘Courbet , Painter in Protest’ van Georges Boudaille )

Boudaille schrijft met onderkoelde humor; ‘Forty-two students, some of them dissidents from the Ecole des Beaux-Arts, agreed to pay 20 francs to hear Courbet expound his theory of Realism’.

Nadat Courbet zich op deze manier bereid heeft verklaard de collega-schilders onder zijn hoede te nemen gaat Castagnary aan het werk. ‘On December 6, 1861, Jules Castagnary had signed a lease ( to become effective on December 9) for an atelier at 83 rue Notre-Dame-des-Champs ( street level), where Courbet was to teach painting. Student applications began on December 9, and that same day thirty-one students registered.( Petra ten-Doeschate Chu)

Castagnary bespeelt de studenten en voedt ze met eigen inzichten; ‘Jullie zijn de regels en werkwijzes van jullie leraren beu. Jullie vermoeden dat deze tegen de nieuwe sociale ontwikkelingen ingaan; dat jullie door hen volledig te volgen een taal leren spreken die in de nieuwe maatschappelijke realiteit niet meer kan worden begrepen… ‘ En ook; ‘In de Renaissance was de studio een plek van samenwerking. De student schilderde met en voor de meester Het hedendaagse individualisme heeft het opzetten van een Renaissance atelier onmogelijk gemaakt’. Opvallend aan dit citaat is zijn gebruik van het begrip ‘meester’.

Castagnary schrijft nog in 1864,twee jaar na het einde van het experiment , in Les Libres Propos hoe hem voor ogen stond wat er precies in de studio zou moeten gebeuren; ‘als modellen zullen we alle visuele representaties van de Schepping hebben: stieren, paarden, herten, reebokken, vogels en ga zo maar door; en alle types die onderdeel zijn van de maatschappij, van de burger tot de arbeider, van de soldaat tot de boer, van de ploeger tot de zeeman. Op deze manier zal het geheel van natuur en maatschappij in al haar variëteit aan jullie ogen voorbij komen.’

De studio ging van start. Leraar/collega Courbet gaf maar één advies en dat was, volg geen adviezen op! In atelier hing een lijst met 4 geboden; 1. Doe niet wat ik doe 2. Doe niet wat anderen doen 3. Als je zou doen wat Rafael deed heb je geen eigen leven, zelfmoord. 4. Doe wat je ziet, voelt, doe wat je wilt doen

Na zijn aanvankelijke enthousiasme en de bereidheid om ‘alles te geven’, loopt Courbet toch al snel tegen zijn grenzen aan. In een brief aan zijn vader schrijft hij; ‘Dear Father , I apologize for not answering you sooner but you must take into account that in Paris I am not really my own man. I have important things that I must do here, that I cannot manage to do. I have too much of a following, especially recently, with all of modern painting converging around me. At last I have triumphed across the board’.

In maart 1862 valt het doek, het experiment, het atelier van gelijken, hield op te bestaan.


Veel verhalen over Coubet’s atelier gaan over de wit gevlekte rode stier die door de studenten werd bestudeerd, op deze afbeelding zie je de stier met begeleider, de schilderende studenten en Courbet rechts met palet( en schildermes) in de hand gereed om ter plekke correcties aan te brengen in het werk van zijn jonge collega’s.

Op deze afbeelding zie je alleen mannen,( inclusief de stier, ). Er werd door mannelijke kunststudenten ook naar vrouwelijk naakt geschilderd. Maar dat was voor vrouwelijke studenten verboden. Linda Nochlin toont in haar befaamde essay ‘Why have there been no great woman artists?’ uit 1971 overtuigend aan dat dat niet aan (vermeend) ‘vrouwelijke’ eigenschappen lag. Niet aan aanleg, talent, doorzettingsvermogen . Ze bewees dat het voor vrouwen eeuwenlang onmogelijk was om zich te bekwamen in de voorwaarden om ‘groot’ te worden. Om mee te doen in de hoogste regionen van de beeldende kunsten was het noodzaak om de vrouwelijke en mannelijk anatomie te bestuderen. Ook tot ver in de 19e eeuw was dat enkel een voorrecht van mannelijke kunststudenten.

Deze foto is uit 1855, (gemaakt zes jaar voordat Courbet zijn stier liet poseren). De modelklas voor vrouwen op de Pennsylvania Academy werkt onder leiding van Thomas Eakins, hun model, een koe.


Een grote 19eeeuwse dame , Rosa Bonheur, maakte van een nadeel een voordeel en werd wereldberoemd met haar dierenschilderijen. De majestueuze inrichting van haar atelier zet de enkele stier, de reebok en het mannelijke hert van Courbet toch in een ander kader.


(Een aantal bronteksten zijn door mij uit het Engels naar het Nederlands vertaald. Petra ten -Doeschate Chu, ‘Letters of Courbet’, University of Chicago Press, 1992 , Georges Boudaille ‘Courbet Painter in Protest’, New York Graphic Society Ltd, 1969. Linda Nochlin, ‘Why Have There Been No Great Women Artists?’ uit ‘Art and Sexual Politics’, Macmillan, 1971)





  • Comments(0)//blog.stijnpeeters.com/#post1