een blog over de 19e eeuw en nu...

een blog over de 19e eeuw en nu...

Over dit Blog


Vanuit mijn praktijk als beeldend kunstenaar ga ik twee interessegebieden onderzoeken. Het eerste is de Franse 19e eeuwse historieschilderkunst en het tweede hoe kunstenaars in die tijd omgingen met de vrije en gecensureerde pers. Ik breng dat in verband met hedendaagse actuele ontwikkelingen en het engagement van waar uit ik mijn werken maak. Op dit blog zal ik reflecteren op mijn oeuvre en de bronnen die ik heb onderzocht, maar het is nadrukkelijk ook een blik vooruit.

eerste RKD blog

RKDPosted by Stijn Peeters Mon, June 03, 2019 15:40:49

Vanaf 8 april bezoek ik wekelijks de RKD, Instituut voor Kunstgeschiedenis in den Haag. Zes, zeven uur lang maak ik archiefdozen open en lees soms staand, op andere momenten zittend. Zwerf tussen kasten. En verlies langzaam de focus, het zoeken waaiert breed uit, meandert en van het een komt het ander, dat is ook altijd zo geweest in mijn beeldende praktijk, dus daar kan ik wel mee omgaan. Ik hoeft van mezelf nu nog geen keuzes te maken en richting te bepalen.

---------------------------------------------------------------------------------------------------


Daarom een lijstje van mogelijkheden en vragen.

Het atelierbezoek van Alexander Ver Huel aan Ary Scheffer én het bezoek aan Wiertz. Een documentje van 20 velletjes A5 met een nietje. Hij beschrijft zijn opwinding en verwondering over de megagrote doeken en de trompe l’oeils geschilderd op de wanden van Wiertz’ atelier. Zelf heb ik een eigen foto archief met opnames van kunstenaarsateliers. Ik lees “Mythen van het Atelier”, weerslag van een uitgebreid onderzoek binnen de RKD en wijst Mayken Jonkman me op Rachel Esner’s tekst “in the artists studio with L’Illustration”. Ik vind in de doos ‘Frankrijk 1800-2000 Dela’, twee pagina’s uit L’Illustration met een beschrijving van Paul Delaroche’s atelier met gravure.



De wondermooie brieven van Matthijs Maris, de reflectie op zijn leven, de omgang met de commercie rondom het kunstenaarschap en zijn rol tijdens de commune van Parijs

De vete van Carel Vosmaer en Conrad Busken Huet over schrijvende vrouwen, Vosmaer spreekt zijn vreugde over de meerstemmigheid uit en Busken Huet maakt zich zorgen over de concurrentie van al die schrijvende vrouwen, waarbij de briefwisseling gaandeweg steeds giftiger wordt en er van de vriendschap niets meer over blijft. Dit valt me natuurlijk op omdat ik een serie blogs in voorbereiding heb over ‘verdwenen vrouwen’, fysiek weg-geschilderd op doeken van Courbet, zoals Mme Proudhon of Jeanne Duval. Of de afwijzing van de Franse Republikeinen van vrouwelijke deelname aan de revoluties van de 19e eeuw ( het utopisch socialisme van Saint-Simon en Fourier bood hen daartoe wel kansen). Ook lees ik nu “The Woman of Ideas in French Art, 1830-1848” van Janis Bergman -Carton

Rode atelierwanden bij Scheffer én Adolph von Menzel.

De kritieken op het schilderij ‘Joodse Begrafenis’ van Hein Burger die spreken over “eene gevaarlijke proeve om het realisme van een Courbet te onzent in te voeren’, en “dat in ‘Eene Begrafenis’ het gevaar om op den klip van lelijke waarheid te verzeilen reeds zigtbaar is”.

Caricaturen van Jan Holswilder voor de Lantaarn, technisch en beeldend op hoog niveau, en zeer geëngageerd. Om er een te noemen, “Kaatsspel aan de grenzen van Noord-en Zuid-Nederland 1888”, Nederlandse marechaussees en Belgische Gendarmes met slaghout in de hand slaan door de lucht vliegende zigeuners heen-en-weer.



Een menukaart gevonden in een doos ‘1456, Toegepaste Grafiek’, van een diner op 20 november 1904. De aanleiding is een reeks “Boeken over Kinderlevens”, klaarblijkelijk waren boeken over straatschoffies eind 19e begin 20e eeuw populair. Het overdadige 10 gangen menu staat in schril contrast met de armoede van de hoofdpersonen van de boeken. Het menu is op naam gesteld van M.J. Brusse( familie van), schrijver van ‘Boefje’, de tekening op de omslag is gemaakt door Theophile Alexandre Steinlen.

In de tekst van Ver Huel over het bezoek aan Ary Scheffer’s atelier vertelt hij dat Scheffer even met een vochtige spons over een doek veegt om het beter te doen uitkomen, op een foto van Jozef Israëls in zijn atelier staat een schildertafeltje met een blikje aan een stokje en verscheidene sponsjes op het werkblad. Ik gebruik ook wel eens sponzen om met een brede beweging luchten te suggereren, verbaas me dat Scheffer op die manier een doek ophaalt en vraag me af hoe Israëls die sponsjes gebruikt.

De tekst van Jonathan Crary “Géricault, the Panorama, and Sites of Reality in the Early Nineteenth Century” was aanleiding om te beginnen met een groot schilderij en een lino op mijn atelier. Nu lees ik, in RKD bulletin 2012-2, “De weg naar het heilige der heiligen, de donkere tocht naar het atelier van de kunstenaar” van Mayken Jonkman waarin ze de wandeling naar het atelier via lange gangen en hoge trappen analyseert en duidt, van donker naar licht. In dit artikel verwijst ze ook naar Jonathan Crary, specifiek naar zijn “Techniques of the observer. On vision and modernity in the 19th century”.

Jeroen Kapelle “Carel Vosmaer en de kunstenaars van de Haagse etsclub”, maakt vele nostalgische gevoelens los, denkend aan de dagen en avonden van ‘de Enige Echte Eindhovense Ets Club’ bij Grafisch Atelier Daglicht met biertjes, vriendschap en muziek. Ik verbind dat ook aan “Re-Mixing the Art Curriculum’’ van Emiel Heijnen over leren in buitenschoolse situaties én de ‘Commons’ van Pascal Gielen. Idealen die politiek in deze tijd niet te verkopen zijn.

Het zoeken naar Martersteig’s ‘Pariser Barrikaden 1848’ gaat door, in een van de dozen ‘Duitsland 1800 -Heden’ vind ik het portret van Paul Delaroche in wiens atelier hij zich bekwaamde in de historieschilderkunst en een artikel uit ‘der Cicerone’ gedateerd 1914 van E.Redslob ( “mit 7 Abbildungen nach zumeist in Familienbesitz befindlichen Werke”). In een ander mapje vind ik 4 reproducties waaronder een “gezin van de kunstenaar”, het doek uit Weimar waarmee alles voor mij begon, maar wat vooral mijn aandacht trekt is een afbeelding getiteld “die heisse Suppe”. Een jonge colporteur van houten speelgoed heeft zijn mand afgedaan, zit op zijn knieën en lepelt soep uit een pot die een zittende huishoudster op haar schoot heeft. Ik denk aan ‘het Italiaantje’ uit een lezing van Gerard Rooijakkers over de colportage van centsprenten in Brabant.



Ik lees over portretjes in mezzotint-imitatie van Boilly, hij maakte er meer dan 5000 van! Het was zijn belangrijkste bron van inkomsten omdat hij met zijn maatschappijkritische vrije werk bij opdrachtgevers geen succes had. Matthijs Maris noemde dit soort werk zijn ‘potboliers’ dan wel ‘suicides’ en het is een gegeven waar veel kunstenaars mee worstelen. Hoe financier je je autonomie?

Ik lees E. R.D. Schaap “Romantiek” over de zelfmoord van baron Gros, ook een onderwerp waarover ik meer wil weten. Schaap , zelf kunstschilder, laat zijn mening over de werken van de kunstenaars die hij beschrijft duidelijk naar voren komen, zoals in dit fragment over de onderwerpkeuze van Millet; “Maar toch erken ik gaarne dat mij nimmer het superieure van een gekleeden boer boven een naakte vrouw is geopenbaard geworden, zelfs niet als motief voor een schilderij.” Wat dat betreft is het aardig om bij RKD images van Egbert Schaap de foto van zijn atelier op Villa Nova te bekijken.

De twee versies van “Napoleon crossing the Alps”, de verschuivende politieke accenten die zichtbaar worden in het vergelijken van de afbeelding van Jaques-Louis David en de versie van Paul Delaroche. En natuurlijk de ( muil-) ezel op het laatste schilderij.


---------------------------------------------------------------------------------------------------

Dit alles maakt dat er een belangrijke vraag bij me opkomt en die luidt; onderzoek ik nog steeds de theoretische omgeving waaruit mijn beeldende werk van de afgelopen twintig jaar is voort gekomen of ben ik eigenlijk een theoretische omgeving aan het bouwen waarin ik toekomstig werk kan plaatsen?

Het is iedere keer weer van belang om terug te keren naar mijn oorspronkelijke onderzoeksvraag, zoals ik deze eind 2017 in de aanvraag voor Atelier Holsboer, Parijs, formuleerde; hoe kan ik vanuit een geëngageerde houding traditie en actualiteit in mijn eigen werk combineren en hoe kan onderzoek naar de werkwijzen en houdingen van 19e eeuwse kunstenaars me daarbij verder helpen?

Om eerlijk te zijn moet ik toegeven dat een dusdanige vraag ook voortkomt uit het zoeken naar argumenten, naar verantwoording voor een reeds ingeslagen richting, zo combineer ik in mijn werk op dit moment al elementen uit klassieke beeldende kunst en de wereld van volksprenten en karikatuur.

Mijn ambitie is helder ik heb de behoefte om met mijn werk een maatschappelijke rol te spelen, me te mengen in een democratisch debat, de dialoog te zoeken. Ik weiger de marginale rol van de beeldende kunst in deze maatschappij te accepteren. Hierbij laat ik me inspireren door de status van kunsten in de 19e eeuw.



  • Comments(0)//blog.stijnpeeters.com/#post15