een blog over de 19e eeuw en nu...

een blog over de 19e eeuw en nu...

Over dit Blog


Vanuit mijn praktijk als beeldend kunstenaar ga ik twee interessegebieden onderzoeken. Het eerste is de Franse 19e eeuwse historieschilderkunst en het tweede hoe kunstenaars in die tijd omgingen met de vrije en gecensureerde pers. Ik breng dat in verband met hedendaagse actuele ontwikkelingen en het engagement van waar uit ik mijn werken maak. Op dit blog zal ik reflecteren op mijn oeuvre en de bronnen die ik heb onderzocht, maar het is nadrukkelijk ook een blik vooruit.

Stenen

SteenbrekersPosted by Stijn Peeters Wed, November 28, 2018 14:59:07


“Het is zeldzaam dat je zo’n volledige uitdrukking van armoede tegenkomt en dus, ter plekke, kreeg ik het idee voor een schilderij. Ik vroeg hen om de volgende morgen naar mijn studio te komen.” Zo schreef Courbet in een brief brieven aan Francis Wey over het moment waarop hij de twee mannen tegenkwam.

In ‘Gustave Courbet, His Life and Art’ (1972) schrijft Jack Lindsay; “hij liet de twee modellen afzonderlijk van elkaar poseren. De oude man, Gagey, werkte al zijn hele leven aan de wegen rondom Ornans en was een bekende voor de bewoners van de streek. De plaatselijke bevolking had grote waardering voor het schilderij en deed het voorstel om het doek aan te kopen voor de parochiekerk waar het boven het altaar zou moeten komen hangen. Aldus Proudhon, gebaseerd op een anekdote die Courbet hem ongetwijfeld had verteld”.

”Uit alles wat Courbet tijdens het werk aan de Steenbrekers aan Wey en Champfleury schreef wordt zijn emotionele betrokkenheid bij het onderwerp voelbaar. De samenwerking van de oude en de jonge man verbeelde de cyclus van voortdurende ellende, veroorzaakt door het systeem. In plaats van twee arbeiders die bijzonder zwaar werk voor een armzalige beloning verrichtten schilderde hij de eindeloze herhaling van hopeloos geploeter waartoe een groot deel van de bevolking was veroordeeld, de eindeloze cyclus van uitbuiting. Onder Courbet’s handen ontwikkelde zich gevoelsmatig een sterk, geladen beeld waardoor de in hem groeiende verwantschap met de socialistische beweging zichtbaar werd.” Uit dit fragment blijkt duidelijk de marxistische visie van waaruit Jack Lindsay (lid van de communistische partij van Engeland) schreef.

Steenbrekers waren volgens Michelle Facos boeren die van hun land waren verdreven en terecht kwamen in slecht betaald werk waarvan de winsten direct naar de midden en de hogere sociale klasse door stroomden. Een afbeelding van deze arbeiders kon door het publiek in die tijd moeilijk als geïdealiseerd landelijk type worden begrepen. “De vuile, verweerde en gerepareerde kleding van de twee steenbrekers zoals ze door Courbet werd geschilderd is veelbetekenend. Deze sterke, onderdrukte, arbeiders die hun dagen slijten met het kapot hakken van stenen kwamen zeer bedreigend over op de middenklasse in 1850, het jaar dat het schilderij op de salon werd getoond. Terwijl de meerderheid van de opstandelingen in 1848 uit stedelijke arbeiders en ambachtslieden bestond, riepen de Steenbrekers van Courbet angst op omdat ze werkten met gereedschappen die mogelijk als wapen zou kunnen worden gebruikt. Daarbij vervaardigden ze de straatstenen die konden dienen als projectielen en om barricades mee op te richten.”

Courbet versterkte het gevoel van onzekerheid door de gezichten van de mannen voor de kijker af te schermen. Doordat hun gezichtsuitdrukking en gelaatstrekken onzichtbaar zijn kon men niet inschatten of deze mannen gevaarlijk of onderdanig waren. Hierdoor wordt het een verbeelding van een moderniserende en onzekere wereld. T.J. Clark beschrijft het ongemakkelijke gevoel van de burger met dat van de slavenhouder die zich plotseling beseft dat hij wordt omringd door een massa onleesbare gezichten. Hoe liberaal de burger zich in zijn hart ook voelt, deze angst zal hem eerder voor de ‘reactie’ doen kiezen dan zijn bestaanszekerheid opgeven.

De grote versie van de Steenbrekers heeft de oorlog niet overleefd en is zoals bekend tijdens een transport van de Gemäldegalerie, Dresden naar Schloss Königstein gebombardeerd en vernietigd. Dit gegeven deed me denken aan ‘Slachthuis 5 of de Kinderkruistocht’ het boek van Kurt Vonnegut, “waarin hij zijn ervaringen als krijgsgevangene in de Tweede Wereldoorlog noteerde op de enige manier die hem blijkbaar in staat stelde die op papier te zetten: door de geschiedenis van het gruwelijke (en zinloze) bombardement op Dresden te verpakken in een bizarre reis door tijd en ruimte die de hoofdpersoon Billy Pilgrim maakt”( Jan Donkers in het nawoord van de uitgave van Het Parool-Bibliotheek, 2001)

Afbeelding uit de film Slaughterhouse 5 of de Kinderkruistocht , de film uit 1972 onder regie van George Roy Hill. ( met muziek van Glenn Gould!)

“Er werden vele kuilen tegelijk gegraven. Niemand wist nog wat er gevonden zou worden. De meeste kuilen liepen op niets uit, op het trottoir, of op stukken steen die zo enorm waren dat er geen beweging in te krijgen was. Er waren geen machines. Zelfs paarden en muilezels en ossen konden niet over het maanlandschap lopen.
En Billy en de Maori en de anderen die bij het graven van hun kuil hielpen, stuitten tenslotte op een vlies van houten balken die als kantwerk over steenblokken lagen, en die steenblokken zaten zo samengeklemd dat ze een koepel vormden Ze maakten een gat in het vlies. Er onder waren duister en ruimte.
Een Duitse soldaat met een zaklantaarn verdween in het duister en bleef lange tijd weg. Toen hij tenslotte terugkwam vertelde hij dat er zich daar beneden tientallen lijken bevonden. Ze zaten op banken. Ze waren ongeschonden.
Zo gaat dat.
De meerdere gaf opdracht om de opening in het vlies te vergroten en een ladder in het gat neer te laten zodat de lijken boven de grond gebracht konden worden. Dat was het begin van de eerste lijkenmijn van Dresden.” ( pagina 153)

Courbet werd vanwege zijn rol in de Commune van Parijs gevangen gezet en later persoonlijk verantwoordelijk gemaakt en veroordeeld tot het betalen van een enorme boete vanwege het omver halen van de Colonne Vendôme. In deze caricatuur van Schérer wordt Courbet afgebeeld als dwangarbeider. Het onderschrift luidt; ‘Een man die op een dag werd opgeroepen om de Colonne te slopen kan alvast als steenbreker aan de slag’.

De veroordeling tot reparatiebetalingen van 10.000 Francs per jaar drukte zo zwaar op hem dat Courbet in 1873 besloot om Frankrijk te verlaten en naar Zwitserland te vluchten, waar hij op 31 december 1877 stierf. Volgens historicus Pierre Chessex wilde zijn familie hem graag in Ornans begraven; “maar op maandag kocht Dr. Blondon uit Besancon, de verloofde van Courbet’s zus Juliette, een concessie voor een grafkelder op de begraafplaats van La Tour.” Van 1878 tot 1919 heeft het lichaam van Courbet, in een dubbele kist van eikenhout en lood, in de grafkelder van La Tour-de-Peilz gelegen. Daar is nu, tussen twee struiken in het park van het collège Courbet, nog een plaquette te vinden waarop wordt herinnerd dat Courbet’s graf ooit op deze plek heeft gelegen. Het lichaam en de steen zijn in 1919 verhuist naar Ornans. Wat ik opvallend vind is de vergelijking tussen de twee graven. Lag Courbet in Zwitserland nog in het groen, in Ornans is zijn graf bedekt met steenslag!


Bronnen;

‘Gustave Courbet, His Life and Art’ (1972) Jack Lindsay, Jupiter-London 1977, ‘An introduction to 19th century art’, Michelle Facos , Tailor & Francis Ltd, 2011, ‘The Absolute Bourgeois, Artists and Politics in France 1848-185’, T.J.Clark, Thames and Hudson Ltd, 1973. ‘Slachthuis 5 of de Kinderkruistocht’ Kurt Vonnegut, Het Parool- Bibliotheek, 2001
https://france3-regions.blog.francetvinfo.fr/vallee-de-la-loue/2016/01/03/ils-sont-venus-sur-la-tombe-de-courbet.html







  • Comments(0)

Fill in only if you are not real





The following XHTML tags are allowed: <b>, <br/>, <em>, <i>, <strong>, <u>. CSS styles and Javascript are not permitted.